telSpoed & crisis

Kan de jeugdsector leren van de ziekenhuizen?

#opinie

Afgelopen zomer werd de Man geopereerd aan zijn knie. Niet zomaar een operatie. Nee, eentje waar nogal wat bij kwam kijken. Zowel aan specialisten, als aan wetenschappelijk onderzoek, als aan tijd. Lees: acht weken gips, negen maanden revalideren. Kortom: het was de Rolls Royce onder de knieoperaties. Ondanks dat het ‘maar’ om een knie ging, was de dag zelf toch spannend. Des te meer omdat de instructiefolder die de Man ter voorbereiding had gekregen over een andere operatie ging en hij er dus in het ziekenhuis om zeven uur in de ochtend achter kwam dat het een vier uur durende operatie was. Bovendien ging hij onder narcose in plaats van het krijgen van de verwachte ruggenprik.

Rond enen werd ik gebeld door de arts dat meneer nog sliep. Huh? Slapen? Bij een ruggenprik? De arts vertelde dat het allemaal wat langer duurde, dat ze hem ketamine hadden moeten geven, maar dat alles tóch goed was gegaan. Snel checkte ik m’n telefoon en ik bleek verschillende appjes te hebben van de Man vlak voor hij onder narcose werd gebracht. Ik bedankte de arts vriendelijk voor al het goede werk wat ze voor de Man had gedaan en nam me voor de zoveelste keer voor om echt vaker op m’n telefoon te kijken.

De Man mocht mee naar huis
Toen ik aankwam in het ziekenhuis kwam de Man net bij en zoals verwacht bij iemand die hooguit een paracetamolletje neemt, was dat niet fraai. Hij werd liefdevol verzorgd. Bleef een nacht ter observatie. Kon de volgende dag een beschuitje binnenhouden. Werd door de fysio uit z’n bed geholpen en liep zwabberend onder aanmoediging van diezelfde fysio tien meter op krukken. En dat was dat. De Man mocht mee naar huis. Ik reed de auto voor en reed de Man naar huis. Tip: haal kinderstoeltjes uit de auto als je iemand met een gipsbeen gaat vervoeren. Van binnen voelde ik wel lichtelijke paniek. Hoe dan?! Maar koelbloedig als ik ben, glimlachte ik steeds vriendelijk zijn kant op als we over een drempel reden en hij een lichte kreun niet kon onderdrukken.

Kan hij niet blijven bij jullie?
Natúúrlijk kwam de Man mee naar huis. De specialisten die hun werk alleen in een ziekenhuis kunnen uitvoeren, hadden hun gedeelte gedaan. En nu moesten andere specialisten het werk verder overnemen vanuit het huis van de specialist die het meeste werk zou moeten doen: de Man zelf. Ik denk toch dat de arts gek opgekeken had als ik tegen haar gezegd zou hebben: ‘Wat fijn dat het goed is gegaan. U hebt laten zien dat u iets kunt wat ik echt niet kan. Wat is hij in goede handen bij jullie. Wat mij betreft blijft hij.’

Kan de jeugdsector hiervan leren?
Als het gaat om ziekenhuiszorg zijn we het er over eens dat je niet langer dan strikt noodzakelijk in een ziekenhuis moet verblijven. Het is de perfecte plek voor acuut medische situaties, maar toch niet voor revalidatie, stabilisatie of doe eens gek, persoonlijke groei en ontwikkeling. Zouden we als jeugdzorgsector hier meer van kunnen leren?

Trajectzorg zoals het bedoeld is
Kinderen die een specialistische omgeving nodig hebben, moeten die kunnen krijgen. Net als dat de operatie bij de Man niet bij mij op de keukentafel kon plaatsvinden, kan men ook te ver gaan met ambulantisering. Tegelijkertijd zou er direct gekeken moeten worden wat er gedaan kan worden om de situatie weer ongedaan te maken. Met heel veel regelmaat beoordelen of de situatie is verbeterd en of het kind als vanzelfsprekend weer terug kan naar waar het vandaan kwam. Of dat nou bij hun ouders, in een pleeggezin, gezinshuis of kleinschalige woongroep is. Trajectzorg zoals het bedoeld is. Maar zo is ons systeem niet ingericht.

Kinderen gaan de carrousel in
Met uitzondering van de kinderen die thuis wonen, zitten financiële stromingen (een niet gevulde plek wordt door gemeenten vaak niet betaald) als ook overtuigingen (als het daar goed gaat, dan zal dat wel de beste plek zijn, dan moet het kind daar blijven) trajectzorg in de weg. Terwijl we, denk ik, allemaal wel weten dat wanneer zo’n ingrijpende maatregel langer duurt dan strikt noodzakelijk, er in de ogen van het kind niet langer zorg wordt verleend, maar straf wordt uitgedeeld. Waarom kan het niet terug naar de situatie zoals deze hiervoor was? En hoe kan het kind werken aan doelen als het niet weet waar het gaat wonen? En wat je nog te veel ziet, is dat kinderen dan de carrousel ingaan. Van zware plek naar lichter en weer terug. Dit lost de problemen van de kinderen niet op, maar zorgt er alleen voor dat zij hun omgeving gaan wantrouwen en zich hier tegen gaan afzetten.

Terug naar de plek waar ze zich thuis voelen
Hier zijn wij allen verantwoordelijk voor. Iedereen in zijn of haar eigen rol in het systeem, in de keten, het ambtelijk apparaat, de politiek, bij de gemeente, wij allen in de malle molen van het jeugdzorgstelsel. Zou het niet vanaf nu ons gezamenlijke doel moeten zijn dat kinderen altijd terug kunnen naar de plek waar ze zich thuis voelen? En wanneer dat écht niet kan, er een plek komt waar het kind opnieuw thuis kan zijn in plaats van verblijft. En wat hebben álle schakeltjes in dit proces nodig om dit mogelijk te maken?

Hoe gaat het met de Man?
Met de Man gaat het inmiddels stukken beter. Hij loopt weer los, de specialisten zijn er nog steeds en hij droomt al weer stiekem van zijn rentree op het veld.

Nicoline den Ouden, projectmanager Expertiseteam Complexe Zorg, regio Midden-Holland

Dit is de laatste blog van Nicoline voor Jeugdbescherming west. Nicoline heeft een uitdaging buiten Jeugdbescherming west gevonden. We danken haar voor het schrijven van al die inspirerende en mooie verhalen en de kijk in de keuken van de jeugdbescherming en het Expertiseteam Complexe Zorg.

Foto: Jeugdbescherming west

Reacties op dit bericht

Geef een reactie

Archief

Tags