telSpoed & crisis

Strijd om uit de strijd van ouders te blijven | juridische praktijk

#kennisblogs voor professionals #praktijkverhalen

Ouders die bij ons cliënt zijn omdat er een ondertoezichtstelling is vanwege hun complexe scheiding, hebben soms onrealistische verwachtingen. Zij zijn vaak al jaren in conflict en verwachten dat de jeugdbeschermer alles op kan lossen. Het liefst op de manier zoals de ouders dat zelf, elk voor zich, zien. Het werken met ouders in een complexe scheiding is net een ijsvlakte vol met wakken en onzichtbare plekken met dun ijs. En soms moeten jeugdbeschermers strijd leveren om uit de strijd van de ouders te blijven. In deze blog beschrijf ik een voorbeeld uit de praktijk.

Omgangsregeling soms hogere wiskunde

Het is haast hogere wiskunde. Ik ben samen met de jeugdbeschermer een beschikking aan het lezen waarin de rechtbank net na de zomer een zogeheten “verdeling van de zorg- en opvoedtaken” heeft vastgesteld. Concreet gaat haar vraag over wat iedereen verstaat als de vastgestelde omgangsregeling. Het meisje woont bij haar moeder en omdat ouders er samen niet uitkwamen, heeft de rechtbank op verzoek van vader onder andere een verdeling van de omgang gemaakt.

Ik klik door mijn digitale agenda op de computer en tel de weken en dagen om de omgangsregeling letterlijk voor me te zien. “Ok, dus het meisje is om de twee weken van vrijdag van 15.00 tot zondag 19.00 bij vader en in de week dat vader het meisje niet heeft, ziet zij hem de woensdag uit school en vrijdagmiddag van 15.00 tot 19.00. En ook in de voorjaarsvakantie, tweede paasdag, de eerste helft van de mei- en kerstvakantie, de eerste drie weken in de zomervakantie, maar niet de herfstvakantie of de pinksterdagen?” probeer ik de zeer gedetailleerde en uitgebreide regeling samen te vatten. De jeugdbeschermer aan mijn bureau knikt. Klopt. “Ok, dan heb ik hem. Wat is er aan de hand?”, vraag ik.

Wanneer eindigt de herfstvakantie?

Het blijkt te gaan om de aanstaande herfstvakantie. De eerste proef voor de door de rechter vastgestelde regeling. “Ouders verschillen van mening over de uitleg en interpretatie van de regeling voor hoe ze het moeten gaan doen met de herfstvakantie” zegt de jeugdbeschermer. “Vader vindt dat de herfstvakantie, waarin het meisje dus bij moeder is, eindigt op de vrijdag dat ze normaal gesproken op school zou zitten, wat betekent dat het meisje dat laatste weekend bij hem moet zijn. Maar moeder vindt dat dat weekend bij de herfstvakantie hoort en dat deze pas eindigt als ze maandag naar school gaat. Volgens moeder moet het meisje dit laatste weekend dus bij haar zijn”. Mijn ogen gaan weer naar de beschikking. Hoewel duidelijk is dat de rechtbank geprobeerd heeft de regeling met details echt waterdicht te maken, zijn de redeneringen van beide ouders wel te lezen in hoe de rechtbank het heeft opgeschreven. “Als ik er gewoon met gezond verstand naar kijk, denk ik dat het laatste weekend bij de herfstvakantie hoort en dat ze dus niet bij vader is dan”, geef ik aan. “Maar het staat niet letterlijk in de beschikking dus als je er anders naar kijkt of het anders wil zien, is daar wel een discussie over te voeren vrees ik….” Mijn collega zucht. En nu? Ik vraag of de veiligheid van het meisje in het geding is als ze dat weekend bij één van beide ouders zou zijn. “Nee, de zorgen zitten in de strijd die ouders hebben met elkaar. Dit is weer een symptoom daarvan. Er is geen flexibiliteit of constructief overleg meer. Beide ouders zijn verhard en gunnen elkaar niets meer, maar het maakt vanuit de ondertoezichtstelling op zich niet uit bij wie ze dat weekend is.”

Uit de strijd blijven, maar hoe?

“Dan kunnen we een aantal dingen doen”, geef ik aan. “We kunnen proberen of we een middenweg kunnen vinden, bijv. het weekend verdelen? Ouders moeten daar alleen wel allebei mee instemmen.” Mijn collega geeft me een alleszeggende blik. Ik vervolg: “Of we kunnen een verzoek indienen om de vastgestelde regeling te laten wijzigen en de rechtbank vragen om de regeling nóg gedetailleerder vast te leggen, zoals wanneer de vakantieregeling letterlijk eindigt, maar dan moeten we als verzoeker wel een standpunt innemen over hoe wij de regeling zien. En dus in de beeldvorming aan de kant van één van beide ouders gaan staan, want óf we vragen de regeling zoals vader hem interpreteert óf zoals moeder hem interpreteert. En met het indienen van een verzoek neem je eigenlijk ook iets ‘over’ van de strijd van ouders. Maar ik hoor je eigenlijk zeggen dat we hier vanuit de ondertoezichtstelling helemaal geen standpunt over hebben. De laatste optie is dan dat we ouders aangeven hoe het is: dat er inderdaad ruimte lijkt te zitten in de beschikking en dat we hen terugverwijzen naar hun advocaten om hieruit te komen omdat we hier vanuit de ondertoezichtstelling dat over de ontwikkeling van hun kind gaat, geen standpunt in hebben. Het belang van hun dochter is niet gediend met een weekend meer of minder, maar lijkt me meer gediend met het feit dat ze er als ouders samen uitkomen.” Mijn collega staat op: “Hier kan ik wel iets mee. Ik ga het nog bespreken in mijn team, maar denk dat het inderdaad beter is om met dit punt uit de strijd te blijven nu als ouders niet kunnen instemmen met een middenweg.”

Zucht…

Een week later staat ze weer aan mijn bureau: “Ik heb weer een vraag over dat meisje waar we het vorige week over hadden….”. Ze laat me een nogal dwingende brief van de advocaat van moeder zien die net is binnengekomen. De advocaat van moeder wil dat we vader vanuit de ondertoezichtstelling een schriftelijke aanwijzing geven voor betaling van achterstallige kinderalimentatie aan moeder. *zucht*.

 

Laura Goei, senior jurist

Foto: Pixabay

Reacties op dit bericht

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Archief

Tags