telSpoed & crisis

Waarom we dappere kinderartsen nodig hebben | kindermishandeling

#praktijkverhalen

In een blog van Károly Illy, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde, las ik dat kinderartsen zich geïntimideerd voelen door belangengroeperingen en als gevolg hiervan terughoudend zouden zijn geworden met het melden van vermoedens van kindermishandeling in het algemeen en in sommige specifieke situaties (PCF). Dat kan gevaarlijk zijn. Ik dacht gelijk terug aan de situatie van Eva* van een aantal jaren geleden. Als haar kinderarts toen geen bijzondere beslissing had genomen, had het anders kunnen aflopen met haar. In deze blog vertel ik hoe deze dappere kinderarts van groot belang is geweest voor Eva.

Baby Eva

Eva was een jong baby’tje van zes weken oud. Haar ouders kwamen met letselklachten bij Eva naar de huisarts die hen direct doorverwees naar het ziekenhuis. Daar werd ze onderzocht. Ze bleek meer dan tien ribfracturen, een beenfractuur en een blauwe plek in haar gezicht te hebben. De ouders gaven als verklaring dat het hangwiegje waar Eva in lag, was omgevallen. De ouders ontkenden stellig elke vorm van kindermishandeling. De kinderartsen konden de verklaring van de ouders na het onderzoek echter niet rijmen met het medische letsel van Eva en deden een melding bij wat nu Veilig Thuis (centraal advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling) is. Veilig Thuis deed met spoed onderzoek wat uiteindelijk leidde tot spoedkinderbeschermingsmaatregelen voor Eva en aangifte bij het Openbaar Ministerie van kindermishandeling zodat kon worden onderzocht wat er precies was gebeurd met Eva en of een strafrechtelijke reactie op zijn plaats was. Eva werd bij ontslag uit het ziekenhuis in een crisispleeggezin geplaatst om haar veiligheid te waarborgen.

Osteogenesis imperfecta

Bij de volgende zitting over de kinderbeschermingsmaatregelen bevestigde de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling, maar mocht Eva wel terug naar huis. De kinderrechter had het belang van baby Eva bij hechting aan haar ouders, maar ook het feit dat ouders (bevestigd door een medisch adviseur die zij hadden meegenomen) stelden dat Eva mogelijk zou kunnen lijden aan de ziekte osteogenesis imperfecta (OI) afgewogen tegen het feit dat er thuis letsel bij Eva was ontstaan en ouders beiden betrokkenheid ontkenden. Door de ziekte OI zouden Eva’s botten sneller breken bij dagelijkse handelingen als oppakken of verschonen. Wij kregen de opdracht van de rechtbank om toezicht te houden op de veiligheid van Eva thuis en meer duidelijkheid te geven over de vraag of Eva leed aan de ziekte.

Een paar dagen nadat Eva weer thuis woonde, verklaarden de kinderartsen van Eva dat de ziekte OI bij Eva zeer onwaarschijnlijk was. Ook een radioloog die op verzoek van ouders een second opinion had verricht, vermoedde dat baby Eva was geschud. Daarnaast verklaarde de vertrouwensarts van Veilig Thuis dat het risico op nog een ernstig (schud)incident thuis door een aantal persoonlijke omstandigheden van het gezin en ouders zelf, onaanvaardbaar hoog was. Met al deze nieuwe informatie kwamen we tot de conclusie dat we de veiligheid van Eva thuis niet goed genoeg konden waarborgen, ook niet met intensieve hulpverlening.

Opnieuw uithuisplaatsing?

Zo kwam het dat we kort nadat Eva weer thuis was gaan wonen op grond van alle nieuwe informatie, toch weer een verzoek voor een spoeduithuisplaatsing deden. De rechtbank wees de spoeduithuisplaatsing toe en benoemde tevens een bijzonder curator voor Eva. Bij de voorbereiding van de zitting over de uithuisplaatsing werd ons duidelijk dat de discussie zich zou toespitsen op de vraag of er nu wel of niet sprake was van OI bij Eva. Ouders zouden ook hun medisch adviseur die wel aanwijzingen zag voor OI, meenemen naar de zitting.

Dit maakte dat we besloten tot een ongebruikelijke stap: we zouden de behandelende kinderarts van Eva vragen om mee te komen naar de zitting om medische vragen van de rechters te beantwoorden. We konden allerlei schriftelijke verklaringen van artsen inbrengen, maar als het tot een medische discussie zou komen op de zitting (wat de inschatting was), dan zijn jeugdbeschermers en juristen toch geen medici. En de kinderarts reageerde: hij zou komen, want hij vond het belangrijk om de rechtbank duidelijkheid over Eva en OI te verschaffen.

Kinderarts in de zitting

En zo kwam het dat iedereen in de zitting luisterde naar de kinderarts van Eva die haast een college over OI aan het geven was en uitlegde waarom hij (en de landelijke werkgroep die hij had geconsulteerd tijdens de behandeling) OI bij Eva zeer onwaarschijnlijk vond. Ik weet nog dat ik dacht: dit is een bijzondere situatie. Het komt niet vaak voor dat kinderrechters voor een uithuisplaatsing rechtstreeks hun vragen kunnen stellen aan betrokken artsen. De rechters stelden de kinderarts geen vragen over ‘whodunnit’ of over de noodzaak van uithuisplaatsing, want dat was aan justitie respectievelijk aan ons. De kinderarts was er alleen voor de medische kant van Eva’s verhaal en hij was duidelijk: hij zag geen enkel medisch aanknopingspunt om OI te vermoeden. En daarmee bleef ons verzoek tot uithuisplaatsing staan: de veiligheid van Eva kon in de huidige situatie niet worden gewaarborgd op een andere manier dan door een uithuisplaatsing. De rechtbank besloot uiteindelijk tot een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing. Eva werd weer geplaatst in het crisispleeggezin waar ze eerder ook verbleef.

Korte tijd na de uithuisplaatsing werden de ouders aangehouden door de politie. Een week later bekende vader het schudden van Eva. Met deze duidelijkheid over de aanleiding van het letsel van Eva werden de kaders van (on)veiligheid van Eva wat concreter en konden mogelijkheden tot terugplaatsing bij moeder worden verkend. Eva kon niet lang daarna worden teruggeplaatst bij haar moeder. De vader werd later door de strafrechter veroordeeld.

Eigen rol, maar gezamenlijke focus op het kind

Dit verhaal over Eva laat zien dat het vraagstuk van kindermishandeling niet behoort tot de verantwoordelijkheid van één beroepsgroep. Het is aan ons allemaal om kinderen te beschermen en daarbij te blijven streven naar verbetering en kwaliteit in de samenwerking. Ieder vanuit zijn eigen rol en expertise, maar altijd met de gezamenlijke focus op het kind. De molen waar het gezin in terecht kwam als gevolg van de Veilig Thuis-melding door de kinderarts bleek niet voor niets: Eva bleek echt te moeten worden beschermd. En die kinderarts die out-of-zijn-dagelijkse-box dacht en de dappere beslissing nam om op de rechtszitting bij de kinderrechter te verschijnen? Die is voor mij in ieder geval wel de grote held in dit verhaal. Maar wat als hij nu terughoudend was geweest?

 

Laura Goei, senior jurist

*Eva heet in het echt uiteraard anders | Foto: Pixabay

Lees ook onze andere praktijkverhalen op onze website.

Reacties op dit bericht

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Archief

Tags